Over de poëzie van Astrid Roemer

Voor Awater schreef ik in 2016 een stuk over de poëzie van Astrid Roemer. Dat deel van haar oeuvre wordt vaak wat over het hoofd gezien. Gisteren werd bekend dat ze de Prijs der Nederlandse Letteren in ontvangst mag nemen. Een mijlpaal, voor de Nederlandse en de Surinaamse literatuur. En een goede reden om het stuk nog eens te delen. Bij dezen.

 

Een lichaam met geschiedenis welke voortdurend wordt geschrapt
Het poëtische oeuvre van Astrid Roemer

Er hangt iets mysterieus rond de persoon van Astrid Roemer. Als grand old lady van de Surinaamse literatuur, was ze tevens kortstondig omstreden Haags gemeenteraadslid namens GroenLinks en dook ze jarenlang spoorloos onder in de Schotse woestenij. “Ik ben een hele goede schrijfster,” zei ze tegen Ischa Meijer in een even legendarisch als zeldzaam interview, waarna ze uitlegt dat ze vooral die gemeenteraad ingetrokken was om nu eens van dichtbij te zien waar die Nederlanders het precies over hadden als ze belerend spraken over de zegen van de democratie.

En een goede schrijfster was het. Want terwijl ze Haagse raadsvergaderingen oversloeg dijde haar indrukwekkende literaire oeuvre gestaag uit. Roemer heeft als schrijfster voornamelijk naam gemaakt met haar proza. De P.C. Hooftprijs werd haar onlangs dan ook nadrukkelijk toegekend voor haar verdiensten als romancier. Dat is niet gek. Haar magnum opus is zondemeer de indrukwekkende romantrilogie bestaande uit Gewaagd leven, Lijken op liefde en Was getekend, een geraffineerde deconstructie van het dekolonisatieproces van Suriname, de desillusie van het daarop volgende militaire geweld en de zoektocht naar politieke gerechtigheid in het jonge land dat nog zo beheerst werd en wordt door eeuwen Nederlandse uitbuitingspolitiek. Het is zonder twijfel één van de belangrijkste Nederlandstalige postkoloniale werken uit de Caraïben, opgetekend in een bevreemdende taal. Nederlands met een twist. Niet zozeer Surinaams-Nederlands, maar ook zeker niet het alledaagse en gehekelde ABN. Het is heel bewust een eigen creatie.

Het zwaartepunt van Roemers oeuvre mag dan bij de roman liggen, toch schreef ze behalve romans ook een hoop theaterteksten en vangt haar literaire oeuvre ruim 25 jaar eerder in 1970 aan met een bundel woedende poëzie. Sasa, mijn actuele zijn heet het grillige debuut van de dan nog piepjonge Surinaamse schrijfster, geschreven vijf jaar voor de redelijke plotse onafhankelijkheid van het land. De bundel plaatst zichzelf heel direct in een politieke context en de gedichten willen nadrukkelijk gelezen worden als teksten “die de moeizame strijd en verborgen hartstochten van de zwarte Surinamer weergeven”. Het verscheen onder het pseudoniem Zamani, “waaruit ik geworden ben, waarop ik zal terugvallen”. Ze omschrijft de erin opgenomen teksten als “naakte gedichten”. Dat naakte duidt op de directheid van het werk, de gevoelens die zonder opsmuk opgetekend worden, maar naaktheid wordt in het werk ook steeds gecontrasteerd met het aangeklede van de blanke Nederlander, die als een moorddadige bedreiging door het werk trekt.

De bundel is gevuld met niet mis te verstane teksten. Neem dit titelloze gedicht:

 

vietnam biafra india
joden negers
wij plegen zelfmoord uit liefde
hebben king en kennedy niet vermoord

jullie wel

jullie met je zedige hoofden
je kalme walsen
je rokkostuums
je zwarte sleeën
je betaalde liefdes
je stijve lichamen
je nuchter verstand
je miljarden
jullie willen wij uitmoorden

 

Als Nederlandse middelbare scholier in het Suriname van de jaren negentig werd ik ooit meewarig uitgelachen door een goede vriend tijdens het uitbundig meezingen van Bob Marleys ‘Crazy Baldhead’: “Them crazy, them crazy / We gonna chase them crazy / Baldheads out of town”. Wist ik dan niet dat ik zelf degene was die hier de stad uit gemieterd moest worden? Mijn zorgvuldig geïntegreerde tongval zou mij in dezen heus niet redden. Alsof je je als Nederlander niet even hartstochtelijk tegen de geschiedenis van kolonialisme en uitbuiting kon keren, vond ik. En dat vind ik nog steeds, hoewel ik pas later geleerd heb hoe weinig vanzelfsprekend dat is. En hoe complex en schijnbaar onmogelijk die houding eigenlijk is. Je kunt je kleur niet afleggen. In 2001 zou Roemer onderzoeker van de Surinaamse literatuur Michiel van Kempen nog beschuldigen van een onvermijdelijke Nederlandse bias. En hoe vanzelfsprekend ik mijn eigen identificatie met de Surinaamse identiteit ook achtte in de jaren negentig, ten tijde van het verschijnen van Sasa was die vanzelfsprekendheid zeker op een bredere schaal ondenkbaar. Toen Roemer bovenstaande regels schreef was die antikoloniale houding van de blanke overheerser in ieder geval geenszins evident. Nederland stond nog fier voor haar koloniale claim. Dat zou pas met Den Uyl aan de macht in 1973 echt veranderen – en dan ook ineens heel snel. Omschreef Frank Martinus Arion zijn roman Dubbelspel uit 1973 als wapen tegen die kolonisator, Sasa leest haast als een heuse oorlogsverklaring. Die oorlog is van existentieel belang. Roemer vreest de uitroeiing van haar culturele erfgoed, ook in haarzelf. Elders schrijft ze:

 

als…

als ik winti kan dansen
op een symfonie van beethoven
en stilsta als de apinti trilt
wil ik sterven

als ik gala verlang te dragen
op 1 juli de koto en
anjisa begraven liggen met mijn afo
wil ik sterven

als mijn tong geen surinaams
wil praten en steeds luider
a.b.n. uitgilt
wil ik sterven

als mijn huid en ogen verbleken
mijn hart geen eigen kleur heft
vermoord mij

 

De invloed van de Nederlandse hegemonie is zo enorm dat het in het eigen lichaam dreigt te gaan zitten, zodoende de Surinaamse identiteit constant bedreigend. Dat thema zal in al haar werk dominant aanwezig blijven, maar een andere vorm aannemen. De toon wordt door de jaren heen kosmopolitischer, waaiert over de wereld uit als Roemers eigen biografie. Dat gaat niet zonder slag of stoot. In haar meest recente werk, ook een dichtbundel (Afnemend, 2012), schrijft ze retorisch:

 

Ben ik geworden
een lichaam met een geschiedenis
welke voortdurend wordt geschrapt?

 

Van de politieke revolutionair Roemer lijkt in deze bundel nog maar weinig over. De gedichten zijn door de jaren heen steeds meer naar binnen gaan keren, gaan inhaken op niet minder grote thema’s als liefde, dood en de erotiek van beide. Dat leidt tot gedichten die soms haast reviaans aandoen, zoals het derde in de afdeling ‘Vrienden’. Het gedicht leest in eerste instantie als een maffe echo van Reve’s ‘Leve onze marine’, waarin de ik zichzelf offert om maar bij de ander te mogen zijn – een krachtig invoelbare contradictie en onmogelijkheid. Tot je beseft dat het geen minnaar betreft, maar een kat:

 

Hij hurkt aan mijn voeten haast
– kalme jongenshanden aaien een lieveling –
vlammend haar
ogen groot half geloken
vuurrode mond: noorder-
licht dat mij aanspreekt

zij mag jou bezoeken
zij mag ook eten bij jou
nooit mag zij op de straat-
weg komen
van regen houdt ze helemaal niet
en weet je wat:
midnite mag jou een heleboel

eindelijk kijkt hij me aan
doorschijnend en koel: een sneeuw-
bries bij heldere hemel

mijn binnenzee kraakt
breekt valt doodstil
ijsbloemen adem ik in en uit.

 

De oerelementen en beesten, waarvan de sporen steeds ook al te vinden zijn in haar vroegste werk, gaan het spel domineren. Katten spelen in dat spel een centrale rol. Het tamme huisdier, dat als in bovenstaand gedicht ook plots wild en vernietigend kan worden, dient als laatste liefdevolle strohalm in een teleurstellende en harde wereld. De elementen en dieren doemen in deze ’21 liefdesgedichten’ op als geliefden die in één beweging kunnen scheppen en vernietigen, als troostend vuur dat plots kan omslaan in een vernietigend winters geweld. Geliefden kondigen zich op dezelfde wijze aan als de dood. In de afdeling ‘Nabijheid’ schrijft ze:

 

(…)
ik wil zeggen
ik begeer je zo maar je
hebt het reeds vernomen
zo gaat het bericht van mijn dood
ook voor mij uit
(…)

 

Geboorteland Suriname is in dit late werk nog maar sporadisch aanwezig, en dan nog vermomd en nooit specifiek: “het gloeit na/ als vuurrode kolen onder jaren / van witte as in / onophoudelijke winters behaaglijk / als een zwoele tropennacht.” Maar die metafoor verraadt tegelijkertijd wellicht haar trouw aan Zamani. Suriname is geabstraheerd geraakt, maar de metafoor van het vuur en de warmte, die haar moet redden van ijsbloemen, is alom aanwezig. Het kan plots oplaaien als een bosbrand in de droogte.

Tussen Sasa en Afnemend verschenen nog drie dichtbundels: de wilde bundel En Wat Dan Nog?! en het schijnbaar evenwichtiger NoordzeeBlues. Beide bundels verschenen in 1985 bij respectievelijk lesbische uitgeverij furie en De Geus. In 2001 verscheen ‘miauw’ eveneens bij De Geus.

De in ’85 verschenen bundels vormen een verder niet doorgezette aanzet tot wat Roemers ‘Liederatuur’ noemt, poëzie die aanschurkt tegen de muziek. Ze introduceren ook het onvermijdelijke migrantenthema in haar poëzie. In twee verschillende variaties op een gedicht dat is opgenomen in zowel En Wat Dan Nog?! als in NoordzeeBleus wordt de oever van de Surinamerivier noodgedwongen ingewisseld voor het Noordzeestrand. In NoordzeeBlues worden twee regels toegevoegd, waarin dat strand geduid wordt: “waar lucht en licht in water hangen/ zee en rivier elkaar ontvangen eb en vloed”. Die migratie verandert de toon van haar werk, maar de worsteling blijft hetzelfde, al moet ze zich soms neerleggen bij de afstand. In NoordzeeBlues schrijft ze:

 

(…)
alleen het haardvuur smoort in mij
geen slavernij gaat ooit voorbij
waar staat mijn winst
waar staat mijn vlijt

mijn hand maakt zijn bezit smet-vrij

(…)

geen revolutie is volbracht – geen eeuw voorbij
ik leg me bij mijn witman neer
en vrij

 

Er komt in dit werk ook een sterk feministische lijn naar voren. Sinterklaas dient te transformeren in een zwarte vrouw, niet bijgestaan door zwarte Pieten, maar door een stoet eensgezinde kameraden. God wordt een functie van de moeder: “Mijn God, Hoe Jij In Menig Borst Overleeft”. Die sterke vrouwelijke stem zal een belangrijke troop in het werk blijven. Zamani blijkt een kosmopolitische vrouw die de grote thema’s niet mijdt, maar sinds ‘miauw’ ook een belangrijk oog heeft voor het alledaagse:

 

(…)
zon licht het parket op
de bolero dartelt rond
wind in de gordijnen
de geur van room
mijn huis
genoten vieren het: hun voed
ster heeft weer een mijlpaal af
getikt

 

Roemer is een kattenmens, worstelend met de elementen.