Trumps truth en Wilders waarheid – een talige analyse

november 19th, 2016 § 1 comment

De mensen van VHDG, organisatoren van HEDEN, een terugkerende avond over wetenschap en beeldende kunst, vroegen mij om voor de editie getiteld STEMMEN een lezing te schrijven over taal en politiek. Gisteren, 18 november, sprak ik daarom onderstaande tekst uit in de Westerkerk in Leeuwarden. Het werd, in het licht van de uitverkiezing van Trump in de Verenigde Staten, een somber verhaal over hate speech, forgotten people en de noodzaak van een nieuwe taal.

Dames en heren,

“Als je dit soort dingen geleidelijk wil doen, laat die geleidelijkheid er dan ook inzitten.”

Aldus fractievoorzitter van de VVD in de tweede kamer Halbe Zijlstra onlangs in gesprek bij talkshow Pauw over het besluit van RTL4 om voortaan in hun televisie-uitzendingen over Sinterklaas niet langer gebruik te maken van raciale stereotypes en bij het opmaken van de Piet dus geen dikke lagen zwarte schmink aan te brengen, maar voortaan simpelweg wat roetvegen te plaatsen op het gezicht van de Pietspelende acteur. Het is een afzichtelijke zin en helaas ook een redelijk exemplarische voor de vaak zo lege taal die Haagse politici uiten. Bijna leeg eigenlijk, want het venijn zit hier in de details. Eerst iets over de context. Het gesprek vindt plaats omdat de middag van de uitzending een redelijk opgefokte Zijlstra voor de camera’s heeft gestaan om te stellen dat RTL een ‘moord’ heeft gepleegd op het Sinterklaasfeest. Hij noemt dat “onverstandig”. Het standpunt van Zijlstra is dat één en ander “geleidelijk” veranderd moet worden, want op dit tempo kunnen de arme kinderen het simpelweg niet aan. Als het gesprek vervolgens ontspoort en Zijlstra daar alle controle over verliest komt hij met deze draak op de proppen. Er is veel vreemd aan de zin. Vreemd is bijvoorbeeld de aanname. Niemand heeft immers gezegd dat één en ander ‘geleidelijk’ moet gebeuren. Dat was slechts zijn eigen standpunt, waar, in ieder geval daar aan tafel, niemand het mee eens was. We hebben dus niet alleen te maken met een tautologie, namelijk de stelling dat “om dingen geleidelijk te kunnen doen, deze dingen de kwaliteit geleidelijkheid moeten bevatten”, of nog simpeler: “geleidelijkheid veronderstelt geleidelijkheid”, maar bovendien met een tautologie die ontsproten is uit een aanname de enkel in de eigen schijnwerkelijkheid van Zijlstra geldigheid heeft, namelijk een wereld waarin ‘geleidelijkheid’ een evidente waarde is als het gaat om de aanpassing van de kleur van een jaarlijks terugkerende archetypische figuur die stamt uit een buitengewoon kwaadaardig en daarom liefst verzwegen funderende praktijk uit ons verleden. De cirkelredenering staat natuurlijk in een traditie bij de VVD, de partij waarvan grote roerganger minister-president Rutte, zoals bekend voor de internationale pers stelde dat “Zwarte Piet nou eenmaal zwart is omdat hij Zwarte Piet heet”. Voor een politieke partij die naar eigen zeggen van mening is dat de politiek zich niet dient uit te spreken over deze culturele praktijk, heeft men er, ik wil het maar even gezegd hebben, verdomd veel expliciete uitspraken over.

Overigens waren de reacties van andere politici evenzeer ergerniswekkend door het voornemen van RTL te duiden in termen van heroïek alsof het ging om daden op het slagveld. GroenLinks-voorman Jesse Klaver sprak van een ‘dappere stap’, SP-kamerlid Harry van Bommel sprak van ‘moed’ en Geert Wilders tweette dat het “laf, laf, laf” was. Laatstgenoemde spreekt graag in termen van strijd. Op Breitbart, de Amerikaanse website waarvan de oprichter het grote brein was achter de campagne van Trump en afgelopen week werd aangesteld als Trumps belangrijkste adviseur in het Witte Huis, plaatst Wilders regelmatig berichten vol hemelbestormende ronkende strijdbare taal. Breitbart is overigens ook het zelfbenoemde vehikel van de zogenaamde ‘AltRight’ beweging, een term die is bedacht door de jonge Richard Spencer, een expliciete nationalist en ‘white supremacist’ die streeft naar een witte Amerikaanse monoculturele natie die een einde moet brengen aan de, in zijn woorden, ‘deconstructie van de Europese waarden’. De terminologie doet sterk denken aan die in het destijds online gepubliceerde manifest van de Noorse racistische terrorist Anders Breivik.

Afgelopen januari kondigde Wilders op diezelfde site de wereldwijde ‘Patriottistische lente’ aan; een populistische opstand tegen de heersende politieke machthebbers: “In Europe and America,”, schrijft hij, “revolutions are brewing. They are peaceful and democratic, but they are going to send the elites home that are running our nations into the ground.” Het concept van de ‘democratische revolutie’ is interessant. Wilders presenteert zich, net als Trump, als de buitenstaander, de agitator die het spel van de parlementaire democratie enkel meespeelt om vanuit die positie dezelfde status quo te kunnen ontmantelen en omverwerpen. Als zodanig presenteert hij zich als een soort semi-democraat, iemand die zich tegelijkertijd binnen en buiten de politieke orde bevindt. Dat geeft hem een immense vrijheid om alles te roepen dat in hem opkomt, zonder dat hij zich aan de zelfgecreëerde fatsoensregels van politiek Den Haag hoeft te houden. Zijn politieke opponenten hebben er geen goede reactie op en wijzen aanhoudend op die fatsoensgrenzen die niet zouden moeten worden overschreden. Ze positioneren zich daarmee als de verdedigers van de status quo die Wilders in naam van niets minder dan de waarheid onderuit zegt te willen schoffelen. Over die waarheid later meer. Voor nu is het even afdoende om te beseffen dat die positie van de verontwaardigde verdediger van de status quo precies dezelfde is als die van Clinton tijdens de afgelopen presidentscampagne. Dat zou een ieder die niet zit te wachten op een premier Wilders ernstige zorgen moeten baren, vooral ook omdat die verontwaardiging vaak gepaard gaat met de erkenning van de taal die bestreden wordt. En daarmee is die taal ongewild juist een legitieme speler geworden in het politieke spel. Een schrijnend voorbeeld hiervan was de speech die Hillary Clinton gaf afgelopen jaar gaf over de zojuist genoemde AltRight. Inzet van de speech was om, terecht allicht, aan te geven hoe verschrikkelijk de opvattingen van deze beweging zijn. De aanname bij de speech was dat de verschrikkelijkheid van die beweging zo evident is dat de associatie van Trump met deze beweging op zich al een diskwalificatie van zijn kandidaatschap zou opleveren. Maar het eigenlijke effect was een informele erkenning van het belang van de tot dan toe volstrekt marginale beweging. Naamgever Spencer werd ineens een nationale bekendheid, kreeg nationale media-aandacht en verhuisde met zijn denktank naar het hart van de Amerikaanse politiek in Washington.

Enfin. Waar Zijlstra zich vastdraaide in de geleidelijkheid, moet dus vastgesteld worden dat we meer in het algemeen geenszins in politieke tijden leven waar omkeringen en veranderingen zich traag, subtiel en geleidelijk in voltrekken. Integendeel. We worden momenteel geconfronteerd met een contrarevolutionaire tendens, een conservatieve heropleving die gepaard gaat met harde, vaak uitsluitende en bewust beledigende taal. ‘Hate speech’, heet het in de V.S. ‘Haattaal’, zou ik vertalen, hoewel het onderdeel ‘spraak’ in de term niet irrelevant is. Haattaal is niet alleen haatdragende taal, het is zelf ook een daad van haat. Je kunt er mee ‘kwetsen’, een term die veelvuldig is gebruikt in de discussie rond Zwarte Piet (op gegeven moment vreemd genoeg zelfs aan de kant van degenen die zich voor behoud van de blackface-traditie uitspraken), maar haattaal doet meer dan dat, het kan zelf gewelddadige vormen aannemen en ook daadwerkelijk aanzetten tot fysiek geweld.

De status van haattaal is niet onomstreden. Ter rechterzijde van het politieke spectrum wordt het verwijt van haattaal vaak gezien als een directe of indirecte bedreiging van de ‘vrijheid van meningsuiting’, die gouden kalf van het publieke debat, en als zodanig gelijk gesteld aan censuur. Haattaal wordt dan ook vaak geopponeerd aan wat heet ‘politiek correct’ taalgebruik. Gek genoeg is dat laatste een term die in het Nederlandse politieke debat te pas en te onpas gebruikt wordt, terwijl de term haattaal niet als zodanig bestaat. Wel kennen we de, enigszins gejuridiceerde notie ‘haatzaaien’, een term die maar de helft ten uitdrukking brengt van hetgeen ‘haattaal’ is. Het benadrukt slechts het effect van taal en degradeert de betekenis van taal tot dat effect. Daarmee ontkent het ook de gewelddadigheid van de taal zelf, of, om het filosofischer uit te drukken: de performatieve kracht van taal wordt niet herkent. Taal, alle taal en dus ook haattaal, schept, creëert zelf werkelijkheden. De geoefende en begaafde retoricus weet dit en gebruikt de scheppende kracht van zijn taal om werkelijkheden te vormen en ontmantelen. Donald Trump, waar ik het zo nog uitgebreid over zal hebben, heeft zijn aankomende presidentschap in mijn ogen haast volledig te danken aan zijn indrukwekkende beheersing van retorische technieken. Geert Wilders, waar ik het ook nog over zal hebben, moet gevreesd worden om datzelfde talent.

Donald Trump is in het afgelopen jaar stelselmatig omschreven als een amateur, een buitenstaander die de complexiteit van politieke problematiek niet doorziet en niet weet hoe het spel van de parlementaire politiek gespeeld moet worden. Dat lijkt grotendeels waar te zijn, maar vanuit een retorisch oogpunt is het niet te ontkennen dat hij één van de meest getalenteerde politici in de hedendaagse politiek is. Een briljant populist die op zijn zeventigste verdomd goed weet hoe hij jonge rechtse hipsters via de sociale media moet bespelen en activeren. Afgelopen voorjaar gaf Hillary Clinton in een interview aan dat ze zich er heel goed van bewust is dat ze niet de charismatische talenten van haar echtgenoot of Obama bezit. Hun speeches, zei ze terwijl ze dromerig in de verte staarde, zijn als ‘poëzie’. Dat zij een dergelijk poëtisch talent niet bezit is een understatement. Clinton is ongetwijfeld een talentvol technocraat, maar een inspirerend spreker is ze bepaald niet. Trump heeft deze verkiezingen gewonnen, niet vanuit een werkelijk bewezen inzicht in politieke problematiek, of zelfs maar door duidelijk te maken wat hij precies wil gaan doen, maar louter als een even meesterlijk als afgrijselijk en niets ontziend retoricus. Als een talige cagefighter die letterlijk nergens voor terugdeinst om zijn doel te bereiken (zo heeft hij in het proces allebei zijn grootste opponenten, eerst Cruz en later Clinton, in min of meer expliciete bewoordingen in verband gebracht met moord), met secuur uitgezochte haattaal als zijn wapenarsenaal. En iemand, en de parallel met Geert Wilders ligt ook hier als op veel punten voor de hand, die heel goed weet dat het er bij het beïnvloeden van mensen niet om gaat dat je véél dingen zegt, maar dat je de juiste dingen zo vaak mogelijk zegt. Een krachtige politieke retoriek is niet afhankelijk van logica of rationaliteit of zelfs maar coherentie, maar van het affect dat het weet te genereren. De Franse filosoof Alain Badiou plaatste Trump afgelopen week in een rij politici, waar bijvoorbeeld ook de Hongaar Orbán en de Italiaan Berlusconi in staan en waarin wat mij betreft ook Wilders kan worden opgenomen. Deze lieden schaart Badiou allemaal onder de noemer ‘democratisch fascisme’. Als kenmerken van de politiek van een dergelijk democratisch fascisme noemt hij racisme, machismo, geweld en, en dat is de reden dat ik er in de context van deze lezing over begin, een verschuiving van de taal. Taal wordt in de retoriek van de ‘sterke leiders’ die zich opwerpen als vertolker van dit gedachtegoed niet gebruikt om te duiden, uit te leggen of te analyseren, maar is louter gericht op het organiseren van affecten, op het emotioneel beïnvloeden van de luisteraar. En dus kan die taal tegenstrijdig en feitelijk onjuist zijn; als het de juiste emoties weet op te roepen is dat geen probleem.

Een sleutelmoment in de Amerikaanse verkiezingen is een discussie tijdens het derde en laatste debat tussen Trump en Clinton over abortus geweest. In reactie op de vraag van gespreksleider Chris Wallace van het rechtse televisienetwerk Fox News schetste Trump een buitengewoon grafisch beeld van hetgeen hij zich voorstelt bij een late abortus. Het standpunt van Clinton komt in zijn woorden neer op “ripping the baby out of the womb of the mother in the ninth month; on the final day; on the day of the birth”. Clinton geeft vervolgens, terecht natuurlijk, aan dat dat beeld niet deugt, maar het kwaad is dan al geschied. In het diep religieuze radicaal christelijke deel van de Amerikaanse natie, waar abortusartsen moeten vrezen voor hun leven, heeft het apocalyptische beeld van een Clinton die als een hedendaagse infanticide plegende Herodes zal regeren al lang wortel geschoten. En dus is elke redelijke correctie op zijn woorden van haar kant op dat moment even noodzakelijk als vruchteloos. Het affect, de walging bij de conservatief christelijke achterban die in beginsel twijfels had over het kandidaatschap van Trump, was daar. Dit moment lijkt, samen met de politieke bijeenkomsten annex radicaal conservatief religieuze erediensten van Trumps running mate Mike Pence, genoeg te zijn geweest om hen alsnog over de streep te trekken en daarmee het presidentschap te veroveren. Voor het overige had hij de gevleugelde uitspraak die heel specifiek alleen maar werkt in de VS: “The American dream is dead”.

De dood van de Amerikaanse droom is een veelbesproken thema aan zowel linker- als rechterzijde van het politieke spectrum. De progressieve Amerikaanse filosofe Lauren Berlant hangt er haar theorie van ‘cruel optimism’, wreed optimisme, aan op. Kern van de gedachte is: in het hedendaagse Amerika wordt het overgrote gedeelte van de bevolking geconfronteerd met een object van verlangen, dat vanuit dat verlangen zelf onbereikbaar is geworden. Die Catch 22 van het moderne leven bepaalt het hedendaagse Amerikaanse bestaan. De funderingsmythe van de Amerikaanse staat is daarmee verworden tot een centrale, wrede en onontkoombare paradox. De complexiteit van de analyse van Berlant, die er een subtiel verzet tegen het mondiale kapitalisme op hoopt te kunnen baseren, is Trump, voor zover vanuit zijn woorden bekend althans, niet gegeven. (Maar het moet gezegd: wie doorziet werkelijk de duistere ziel van The Donald? Wie kan The Donald werkelijk lezen?) Een plattere versie ervan vormt echter wel degelijk de basis van zijn boodschap.

Die boodschap van een gebroken, of zelfs dode Amerikaanse droom is niet goed te rijmen met de Europese en Nederlandse context. Die droom is onlosmakelijk verbonden met “de nieuwe wereld”, het land van aankomst waar deze droom ineens te verwerkelijken was. Zelfs de conservatieve anti-immigratieboodschap van Trump zet zich in de verwijzing naar die droom dan ook reeds in beginsel scherp af tegen een Europese conservatieve visie als die van Wilders. Wilders kan nog zo hard roepen dat “we are going to make The Netherlands great again”. De terugkeer die verondersteld wordt met het woordje ‘again’ in Wilders poging om bij het succes van Trump aan te haken heeft in eerste instantie weinig tot niets te maken met de terugkeer die zit in Trump’s “Making America great again”. Daarvoor is het project van de Verenigde Staten te uniek en te verschillend van dat van het oude Europa. Het woordje ‘weer’ verwijst weliswaar in beide gevallen naar een conservatief project, maar het Amerikaanse conservatisme is het Nederlandse niet. Het ‘weer’ van Trump verwijst naar een gezochte herwinning van de ‘oude traditionele V.S.’ als ‘the land of opportunity’ en is daarmee fundamenteel toekomstgericht, terwijl het ‘weer’ van Wilders eerder verwijst naar een imaginair verleden. Hoewel ook hier de observatie van Badiou aangaande de groep politici waar we het hier over hebben geldig is, namelijk dat de boodschap niet consequent hoeft te zijn. In ieder geval is het zo dat het woordje ‘weer’ in beide gevallen een cruciale verwijzing naar een conservatief project blijkt die in de gewelddadige retoriek van zowel Trump als Wilders onlosmakelijk verbonden wordt aan een radicale afwijzing van het heden. Ook in de slogan en titel die Wilders zijn bijzonder beknopte verkiezingsprogramma meegaf vinden we het terug: “Nederland weer van ons!”. En punt 2 van de 11 die er staan opgetekend luidt “Nederland weer onafhankelijk. Dus uit de EU”.

In Nederland is de grootste opponent van Wilders volgens de peilingen op dit moment de VVD van Mark Rutte. Ook daar vormt de herdefiniëring van het Nederlanderschap op nogal groteske wijze de rode draad in de inleiding bij het “door en door Nederlandse” verkiezingsprogramma, dat werd geschreven voor en door “wij Nederlanders”. Nederland, het Nederlandse en de Nederlander worden in de ogen van de VVD vooral gekenmerkt door normaliteit. Vandaar dat “Doe zelf ’s normaal, man!” van Rutte. De VVD wil er naar eigen zeggen hard voor gaan werken om “het gewone, alledaagse leven” te koesteren. “Samen met u, met jou en met miljoenen andere optimistische, koppige en gewoon leuke Nederlanders. Nederland is dat waard. Zeker Nederland.” Gewoon leuk. Tegenover de cynische, duistere one-pager van Wilders plaatst de VVD dus de talige versie van het eeuwige alles bagatelliserende glimlachje van Rutte: deze irritant optimistische en redundante reclamefolder voor het door en door gewone “Nederlanderschap”. Het worden zowel politiek als esthetisch zware tijden.

Terug naar Trump. Want waar een studie naar de taalstrategieën van Trump weer echt relevant wordt voor een begrip van de Nederlandse politieke context is als gezegd in zijn expliciete en openlijke meesterlijke het gebruik van haattaal. Hij organiseerde in het afgelopen jaar zelfs heuse persconferenties om dergelijke nieuwe taal te introduceren in het debat. Tijdens de voorverkiezingen bij de republikeinen, die er onder leiding van Trump buitengewoon bloedig aan toe gingen, maakte ‘The Donald’ er een sport van om bijnamen voor zijn belangrijkste opponenten te verzinnen. Zo noemde hij Marco Rubio ‘Little Marco’, Jeb Bush heette ‘Low Energy Jeb’ en Ted Cruz doopte hij ‘Lying Ted’. Toen hij alle opponenten eenmaal al treiterend, in zijn eigen woorden, ‘uitgeschakeld’ had en tot presidentskandidaat werd benoemd, maakte hij van zijn naam voor democratisch kandidaat Clinton een zo groot mogelijk spektakel. Eerder was Clinton nog ‘corrupt Hillary’ geweest, nu werd het ‘crooked Hillary’, een letterlijk criminaliserende naamgeving die voor een belangrijk deel bepalend is geweest voor de receptie van Clinton bij de kiezer en inspeelde op wijdverbreide conspiracy-theorieën over en, regelmatig ook terechte, kritiek op haar dubieuze machtspolitieke handelen uit het verleden. Feilloos legde hij met dat simpele woordje haar zwakte bloot en bracht hij zelfs de Clintonvriendelijke kabeltelevisiekanalen in verlegenheid door een doorlopende stroom van verdachtmakingen over haar criminaliteit op gang te brengen. Bij Wilders zien we eenzelfde neiging om pesterig gebruik te maken van bijnamen. Rutte noemde hij door de tijd heen o.a. al een ‘politieke autist’ die bezig is met het “systematisch slopen van Nederland” en een “terreurvriend”. Over CDA-voorman Sybrand Buma schreef hij dat dat “de man is die Nederland ziek heeft gemaakt.” Roemer was al eens “ongeveer de koning van Afrika” en Pechtold de ‘terror-oehoe’ en bovendien, net als Slob van de ChristenUnie “miezerig, zielig en hypocriet”. De lijst van noelogismen is schier eindeloos. De media citeert er uitbundig uit en brengt zijn meest recente vondsten graag in beeld. De kijker grinnikt, GeenStijl gaat er dankbaar mee aan de haal en de beledigde politici roepen krachteloos op tot fatsoen.

Nog twee concepten uit het arsenaal van Donald Trump vielen in het afgelopen jaar bijzonder op en vormen de kern van het hedendaagse rechtse populisme in de Verenigde Staten, maar ook in Europa en Nederland: ‘truth’, ofwel waarheid en ‘elite’.

Om met de waarheid te beginnen, want die werd ook deze week weer door Wilders in stelling gebracht naar aanleiding van de strafeis van het openbaar ministerie in de zaak over wat in de volksmond de ‘minder Marokkanen-strafzaak’ is gaan heten. Een naamgeving waarvan je je moet afvragen of daarmee de doelstelling van Wilders, het agenderen van het uitzetten van Nederlanders met een Marokkaanse achtergrond, niet al ruimschoots geslaagd is. De rest is gratis zendtijd, of, zo weten we sinds afgelopen week, zendtijd van maximaal 5000 euro, wat kennelijk de boete is die in Nederland staat op haattaal. Maar het punt met deze, als ook de vorige, rechtszaak is niet de hoogte van de boete of zelfs maar een mogelijke veroordeling. Het punt is dat de juridische vervolging van Wilders duidt op niets anders dan een politiek onvermogen om zijn opmars een halt toe te roepen. Tijdens zijn pleidooi voor de rechtszaak in 2010 wierp Wilders zich op als verdediger van ‘de vrijheid’ die, zo is bekend, in zijn ogen haaks staat op de ‘waarden van de islam’. Het betoog bestond uit standaardredenaties over zijn politieke overtuigingen die ik bekend acht. Maar aan het eind van zijn pleidooi voegde hij iets toe waardoor hij in wezen het hele proces onschadelijk maakte. Een zin waarmee hij in één keer de legitimiteit van een mogelijke juridische uitspraak vanuit een politieke positie onderuit schoffelde en in potentiële politieke winst wist om te zetten. Namelijk de volgende: “Als iets waar is, kan het toch niet strafbaar zijn?” Daarmee doopte hij zich in één keer om tot politieke martelaar die daar ten onrechte stond. Iets soortgelijks zei hij gisteren naar aanleiding van de bekendmaking van de strafeis: “Wegkijken en zwijgen is geen optie. Ik moet kunnen zeggen waar het op staat. Want wat heeft u aan politieke angsthazen, die de waarheid niet meer durven te spreken?”

Wilders appel op de waarheid is met stip de meest krachtige retorische truc die de recente Nederlandse politiek heeft voortgebracht. Als hij nu wordt veroordeeld levert dat hem het martelaarschap in naam van de waarheid op voor de som van 5000 euro. Het is dan ook meer dan verontrustend dat er geen enkele reactie op de zet lijkt te komen die zelfs maar in de buurt komt van een effectief antwoord. Wie spreekt vanuit de waarheid, maakt zichzelf onaantastbaar. Ook Trump heeft zichzelf in de afgelopen anderhalf jaar steeds opgeworpen als de grote ontmaskeraar die de verzwegen waarheid van de massa wist te mobiliseren. Die de ‘politiek correcte’ ‘elite’, om met die termen, die inmiddels volstrekt gemeengoed zijn geworden en breed door de media zijn overgenomen, mijn verhaal af te sluiten, kwam vermorzelen; die ‘het moeras van corruptie kwam droogleggen’. Als enige was hij in staat om de Verenigde Staten te behoeden voor een anders onvermijdelijke ondergang. Tegenover die ‘politiek correcte’ ‘elite’ van media, lobbyisten en politici plaatste hij de boodschap van de “forgotten people”, de achterblijvers – de groep die veel gelijkenis vertoont met wat in de Nederlandse context de ‘stille meerderheid’ wordt genoemd. De grootste fout die Clinton tijdens de afgelopen campagne heeft gemaakt is deze stille meerderheid van achterblijvers te benoemen als grotendeels bestaand uit ‘deplorables’, ‘betreurenswaardigen’. Het is een geuzennaam geworden waarmee ze deze groep onbedoeld massaal naar de stembus heeft getrokken.

In de Nederlandse politiek luidt het cliché van de afgelopen 15 jaar dat de Haagse politiek beter (nee nog beter! Nee nóg veel beter! Nee, maar nu écht heel goed!) naar ‘het volk’ moet gaan luisteren. Volgens mij is dat een misverstand. Veeleer is het omgekeerde het geval. Er moet een taal gevonden worden waarachter deze groep zich scharen kan. Een taal waar zíj naar willen luisteren. Die taal moet inclusief zijn en een alternatieve realiteit in het verschiet leggen,.Die moet, met zoveel woorden, een politiek antwoord genereren, dat zich, zoals dat van Wilders, onttrekt aan de technocratisch bepaalde grenzen. Het is het aanhoudende onvermogen om die taal te vinden die maakt dat we er momenteel geenszins gerust op kunnen zijn dat het democratisch fascisme ook hier in Europa binnenkort niet nog veel meer voeten aan de grond zal krijgen.

§ One Response to Trumps truth en Wilders waarheid – een talige analyse

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Visit Us On TwitterCheck Our Feed