Terras #18: Cariben

juli 1st, 2020 § 0 comments

Voor literair tijdschrift Terras mocht ik een themanummer over de Cariben samenstellen. Hieronder het begin van de inleiding bij het nummer met daarin werk van onder andere Vladimir Lucien, Trefossa, Johanna Schouten-Elsenhout, Rita Indiana en Maria van Daalen. Michaël Slory staat er ook in, en wel in de Friese vertaling van Eeltsje Hettinga, die daarmee een ode brengt aan het eerste literaire tijdschrift in Nederland dat ooit een themanummer maakte over Caribische literatuur, te weten het Suriname-nûmer van De Tsjerne in 1952. Vertalingen zijn er ook van Nanne Timmer, Lisa Thunnissen, Antoine de Kom en Hein Eersel. En van mijzelf.

Inleiding

Wie de archieven van Raster in duikt op zoek naar teksten met een Caribische oorsprong, zal zich moeten vastklampen aan de vaak vergeten Surinaamse wortels van Hans Faverey (of, veel later, aan die van Alfred Schaffer) en aan de interesse van literatuurprofessor en kenner van het Antilliaanse schrijven J.J. Oversteegen. Voor eerstgenoemde was Raster allicht een belangrijke publicatieplek, waarvan hij vanaf de eerste jaargang veelvuldig gebruik maakte. Oversteegen schreef in 1971 een stuk over Cola Debrot, de Curaçaose politicus, schrijver en wat al niet, die met zijn debuut, de novelle Mijn zuster, de negerin (1935), ook in Nederland bekendheid verwierf. In 1990 werd een nummer gewijd aan de Cubaan José Lezama Lima, in 1992 mocht Antoine de Kom aantreden, maar als vertaler van Césare Vallejo, en in 1995 schreef Onno Kosters een essay over Derek Walcotts Omeros in het nummer over lange gedichten. En daar stopt de inbreng van de Caribische letteren.

Dat is misschien niet direct verbazingwekkend. Raster oriënteerde zich voornamelijk op de Europese modernistische traditie en hoewel het natuurlijk een vooruitstrevend, op experiment, reflectie en vernieuwing georiënteerd tijdschrift is geweest, was diversiteit als waarde nog niet erg doorgedrongen tot de redactie. Het archief van Raster is dus overdadig gevuld met waardevolle teksten, maar die zijn wel in overgrote mate geschreven door witte, mannelijke Europeanen. Zelfs het nummer over ‘kleur’ uit 2005 is wat dat betreft verdomd wit. Uitzondering vormt de interesse voor de Braziliaanse literatuur, die dankzij talrijke vertalingen van August Willemsen en Ruud Ploegmakers vanaf de jaren tachtig redelijk veel aandacht krijgt. De Latijns-Amerikaanse boom ging evenmin aan de bladzijden van Raster voorbij. Hier en daar duikt een Chinees gedicht op en verder is het wachten tot 2003 voor er een themanummer wordt gewijd aan een Marokkaan (die weliswaar vooral in het Frans schrijft), als in #101 het werk van Tahar Ben Jelloun centraal staat.

Het is dan ook geweldig dat er met Terras een opvolger van Raster is gekomen met een grote interesse in literatuur van over de hele wereld, waarvan nu een Caribisch themanummer voor u ligt, met werk van auteurs uit de Nederlandstalige, Engelstalige en Spaanstalige Cariben. Daarmee wordt slechts een zeer bescheiden inkijkje gegeven in de enorme verscheidenheid aan culturen en talen die op de vele eilanden verspreid door de Caribische Zee huist. Het is onmogelijk in een uitgave als deze recht te doen aan de diversiteit van het Caribisch gebied. De eeuwen Europese expansiedrift hebben een culturele veelkleurigheid achtergelaten die zich moeilijk laat duiden anders dan door juist de diversiteit te benoemen: het syncretisme als kern, de creolisering als rode draad, de multiculturaliteit als verbindende factor. Of je moet je verlaten op de woeste natuur die het leven in het hele gebied bepaalt, zoals Nanne Timmer doet in haar essay over natuurgeweld en klimaat in de Caribische letteren. De Cariben zijn immers ook verzengende hitte, verwoestende orkanen, oneindige regenwouden en alom aanwezige stromen van water.

In 1952 was het aan de Friezen om als eerste literaire tijdschrift in Nederland nadrukkelijke aandacht te besteden aan de Caribische, namelijk de Surinaamse, literatuur. Een volledig themanummer wijdde de redactie van De Tsjerne aan de pennenvruchten van een groep jonge Surinaamse intellectuelen die zichzelf in Nederland organiseerde in de emancipatiebeweging Wi Eegi Sani (Sranantongo voor ‘Ons eigen ding’). De Friezen en Surinamers herkenden elkaars strijd voor culturele erkenning, die culmineerde in een taalstrijd. Wi Eegi Sani streefde naar gelijkwaardigheid van het Sranantongo als culturele en educatieve taal. Het juk van de koloniale overheerser moest niet alleen politiek maar ook artistiek en cultureel afgeworpen worden. ‘Emancipate yourself from mental slavery, none but ourselves can free our mind,’ zou Bob Marley die noodzaak later verwoorden. (…)

 

De hele inleiding is terug te lezen in Terras #18.

Tagged , , , , , , , , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Visit Us On TwitterCheck Our Feed