De roman als wapen – Frank Martinus Arion (1936-2015)

september 29th, 2015 § 0 comments § permalink

Frank Martinus Arion is overleden. Een aderlating. Schrijver van regels als deze:

Eens zijn alle negers
tamtammend uitgevaren
uit hun zwart-ompaalde
negorijen.

Hun prauwen schoten
Over de rivieren,
Dwalend door ’t woud.

Eens, maar eens is ver
En eens is langgeleden.

Nu gaan zij als karbouwen,
Mak-geslagen, lam.
Beroofd van hun tam-tam
En slepen stenen aan
Waar anderen bouwen.

[uit Stemmen uit Afrika, 1978]

Michiel van Kempen schreef een prachtig, persoonlijk in memoriam op de blog van de Werkgroep Caraïbische letteren. Zelf schreef ik voor Perdu een aantal jaar geleden iets naar aanleiding van de uitgave van zijn grote roman Dubbelspel tijdens de ‘Nederland Leest’-campagne:

Dubbelspel is een boze roman. Een woedende roman zelfs, allereerst gericht tegen Nederland, althans: tegen de koloniale politiek van Nederland, althans: het is een roman die de historische rol van Nederland op de Antillen en de wijze waarop die nog doorwerkt in het alledaagse leven van de lagere klassen stevig aan de kaak stelt. Geschreven in de nadagen van de bloedige arbeidersopstand op 30 mei 1969 wil Dubbelspel een wapen zijn, gaf Arion aan toen hij de Lucy de B. en C. W. van der Hoogtprijs in ontvangst nam. En dat was het ook, stelde hij vast, gezien het feit dat hij daar op het podium stond.

(…)

Deze vier [Boeboe Fiel, Chamon Nicolas, Manchi Sanantonio, Janchi Pau] komen wekelijks samen om zich te wijden aan het dominospel. Een spel dat, zo schrijft Arion, in essentie draait om klassenstrijd. Het ‘domineren’, zoals het genoemd wordt, draait om de paradoxale logica van het geven: wie wint heeft het voorrecht een ‘schoen’ uit te delen aan de verliezende partij, daarmee zijn superioriteit bevestigend. Dat het hier om schoenen draait is veelbetekenend. In de slaventijd stond het bezit van schoenen voor status en vrijheid. Slaven hadden niet het recht schoenen te dragen. Wie dus schoenen uitdelen kan, is niet alleen vrij, hij wentelt zich ook dusdanig in weelde dat hij die schoenen in overvloed heeft. De vernedering van de ontvanger is daarmee enorm: hij wordt in een onderdanige en afhankelijke positie geplaatst terwijl de gever de macht heeft om anderen ‘vrij te maken’, een performatieve act die in de slaventijd allicht slechts was voorbehouden aan de slavenhouders. Maar ook zonder de parallel met het slavenverleden is het geven een daad van agressie: het maakt de gever tot rijke filantroop die zich ontfermt over de arme bedelaar.

In dit spel van domineren, dat zich in de beschrijving van Arion direct laat passen in de meester-slaafdialectiek van Hegel, culmineert de recente en minder recente geschiedenis en de culturele actualiteit (van 1973 weliswaar) van Curaçao. Dat zit zowel in de performatieve waarde van de spelhandelingen zelf als in het gesprek dat de vier mannen, rum drinkend en bewapend, ondanks hun schijnbare vriendschap, voeren. Er wordt gesproken over vrouwen, over vreemdgang en prostitutie (zonder dat de duistere waarheid die als een tijdbom onder de vriendschap ligt geëxpliciteerd wordt), over de blanke dominantie op het eiland, over nationalisme en het onvermogen van de eilanders om hun eigen economie op poten te zetten, over de noodzaak van educatie en klassebewustzijn, over arbeidsverhoudingen en opstanden. Ze herhalen en bekritiseren tegelijkertijd al spelend de kapitalistische corruptie van nu en de criminele kolonisatie op het eiland. Dit alles in een taal die niet zondermeer Nederlands is, maar naar de Curaçaose hand wordt gezet. Een taalpolitieke keuze die doet denken aan het werk en de essays van Derek Walcott, in dezelfde periode geschreven, waarin de zoektocht wordt ingezet naar een literatuur die zich niet modelleert naar Westerse literaire maatstaven, maar zich als het ware uit de Caraïbische zee laat voortkomen.

Het hele stuk is te lezen op de website van Tijdschrift Terras.

Enclose

augustus 6th, 2015 § 0 comments § permalink

Onlangs schreef ik een gedicht bij onderstaande foto van Prins de Vos voor in de tentoonstelling Enclose, die momenteel te bekijken is in de expositieruimte van de Melkweg.

before and after

Nadat ik dacht oh
wat wil ik graag drinken wat
wil ik graag nog veel meer
drinken oh oneindig veel wil
ik drinken ik wil drinken tot ik
omval wil ik drinken met deze
vrolijke angst op mijn lippen wil
ik drinken nadat ik mijzelf opende

voor de liefde nadat
ik mezelf omkeerde en omkeerde
en omkeerde mij met een vrolijke
angst op mijn lippen omkeerde en
jij je omkeerde en mij omkeerde en
ik mijzelf opende en mijn lippen » Read the rest of this entry «

Gaten naar de toekomst – over Roemers Drieling

juni 20th, 2015 § 0 comments § permalink

'Astrid Roemer', portret door Marlene Dumas. Onderdeel van de expositie 'Roemers Drieling'.

‘Astrid Roemer’, portret door Marlene Dumas. Onderdeel van de expositie ‘Roemers Drieling’.

Voor het eerst in jaren liet Astrid Roemer zich onlangs weer zien in Nederland. In Het Compagnietheater organiseerde Cindy Kerseborn een avond rond haar werk. Kerseborn organiseerde ook een expositie rond Roemers drieling die tot eind augustus te zien is in het Centrum voor Beeldende Kunst in Amsterdam-Oost. In december volgt bovendien nog een documentaire van haar hand. In dat licht hieronder een tekst die ik in 2009 schreef over Roemers drieling en destijds werd gepubliceerd in Oso – tijdschrift voor Surinamistiek en het Caraïbisch gebied.

Gaten naar de toekomst

‘Mimicry is gevaarlijk’ sprak Nobelprijswinnaar Derek Walcott van Sint Lucia tijdens zijn bezoek aan Amsterdam in mei 2008. Het is een belediging omdat het de voormalige koloniale verhouding andermaal impliciet bevestigt en ontkent derhalve de veelzijdige eigenheid van een cultuur, die enerzijds geworteld is in een gedeelde historie met de voormalige overheerser en anderzijds in een veelzijdige multiculturele actualiteit. Walcott meent daarom dat de Caraïbische literatuur zich niet moet modelleren naar het westerse literaire discours, maar een eigen weg moet zoeken. In zijn essay getiteld The Muse of History uit 1974 zet hij in dit licht uiteen op welke wijze de grote dichters van het Caraïbisch gebied zich de geschiedenis pogen toe te eigenen en om te zetten in hun eigen, nieuwe taal die recht doet aan hun complexe gedifferentieerde wereld. De geschiedenis wordt op- en meegenomen in een ontwerp van een eigen intellectuele, artistieke en politieke oriëntatie (en taal) die zich wil nestelen in de locale actualiteit. Het staat radicaal in een heden en poogt dit heden in haar eigenheid te verwoorden. De Surinaamse schrijfster Astrid Roemer lijkt zich in haar werk eveneens met het probleem van de herschrijving en toe-eigening van de geschiedenis bezig te houden. Haar taalgebruik is opvallend en lijkt er, net als bij Walcott, op te zijn gericht bekende verhalen te ontwrichten en compliceren. » Read the rest of this entry «

Literatuur en de alledaagse politieke werkelijkheid

september 8th, 2014 § 0 comments § permalink

In de uitleiding bij Een middag in Bruay, een bundeling essayistische reisverslagen van Cees Nooteboom uit 1963, zet de journalist W. L. Brugsma uiteen wat de waarde is van de columnist Cees Nooteboom. ‘Mijn vriend Nooteboom ontleent aan zijn schrijverschap de overtuiging dat politiek een produkt is van hetgeen er beneden in het overzichtelijke rijk van het alledaagse leven, slapen, doen en nalaten, gebeurt.’ De columns van Nooteboom lijken in weinig op de enorme stroom meningen die hele volksstammen columnisten tegenwoordig dagelijks over ons uitstorten. Ze vertonen meer gelijkenis met de cursiefjes van Simon Carmiggelt dan met de wekelijkse reflecties op de politiek van Bas Heijne. Het zijn nauwkeurig geschreven verslagen van het alledaagse leven in de grote steden van Europa en daarbuiten, verslagen van persoonlijke ontmoetingen en politieke veldslagen waarin maatschappelijke observaties en stilistische kracht samengaan, zonder in ideologische valkuilen te belanden. Dat betekent niet dat er in het schrijven van Nooteboom niets op het spel staat. Brugsma vergelijkt de positie van Nooteboom met die van de satiricus en geeft aan dat ‘wie satire een te gemakkelijk wapen vindt, vergeet dat het een geweer is dat bij onomzichtig gebruik heel gemakkelijk in het gezicht van de schutter afgaat. Dat is het beroepsrisico van de columnist, de woordvoerder der sprakelozen.’ » Read the rest of this entry «

Visit Us On TwitterCheck Our Feed